Een glanzend laagje ketjapsaus om malse stukjes kip, zoete paprika, zachte ui en goudbruin gebakken champignons: dit is een maaltijd waar je meteen trek van krijgt. Verse bosui maakt het gerecht af met een frisse beet en een mooi groen accent.

Deze eigen versie van kip in ketjap is eenvoudig te maken en zit vol smaak. Knoflook en gember geven de saus karakter, terwijl een beetje sambal voor warmte zorgt. Een scheutje rijstazijn houdt het geheel fris, zodat de zoete ketjap niet overheerst.
Je maakt dit recept voor twee personen in ongeveer vijfendertig minuten, inclusief het koken van de rijst. Zet eerst alles klaar en snijd de ingrediënten voordat je gaat bakken. Daarna volgt de bereiding elkaar vlot op en hoef je weinig meer te doen.
Dit heb je nodig voor twee personen
- 350 gram kippendijfilet, zonder vel en bot
- 1 rode paprika
- 1 middelgrote ui
- 150 gram kastanjechampignons
- 2 bosuitjes
- 3 teentjes knoflook
- 2 centimeter verse gember
- 60 milliliter ketjap manis
- 100 milliliter water
- 1 eetlepel rijstazijn
- 1 theelepel sambal oelek, of minder naar smaak
- 1 afgestreken theelepel maizena
- 1 eetlepel koud water voor de maizena
- 2 eetlepels neutrale olie
- Zwarte peper naar smaak
- 150 gram ongekookte rijst
Kippendijfilet blijft tijdens het bakken prettig sappig en past goed bij een saus die nog even moet pruttelen. Je kunt ook kipfilet gebruiken. Snijd die in gelijkmatige stukken en laat ze niet langer garen dan nodig is, zodat ze zacht blijven.
Ketjap manis geeft deze saus haar kenmerkende zoete, hartige smaak. Gebruik daarvoor geen gewone zoute sojasaus als rechtstreekse vervanger. De smaak en dikte verschillen per merk, dus proef aan het einde voordat je extra ketjap of andere smaakmakers toevoegt aan de pan.
Snijd de kip en groenten
Snijd de paprika in niet te dunne reepjes en de ui in halve ringen. Borstel de champignons schoon of veeg ze af en snijd ze in plakken. Hak de knoflook fijn en rasp de geschilde gember, zodat ze zich straks goed verdelen.
Snijd de bosui in dunne ringetjes en houd het witte en groene deel apart. Het witte deel gaat kort mee in de saus, terwijl het groen pas bij het serveren wordt toegevoegd. Zo gebruik je beide delen op hun lekkerst.
Snijd de kip op een aparte snijplank in stukken van ongeveer twee tot drie centimeter en dep ze droog. Maal er wat zwarte peper over. Houd de stukken ongeveer even groot, zodat ze straks gelijkmatig kleuren en tegelijk gaar kunnen worden in de pan.
Meng de ketjap, het water, de rijstazijn en sambal in een kommetje. Zet dit naast het fornuis klaar. Roer de maizena in een apart klein bakje glad met één eetlepel koud water; dat papje gebruik je straks pas om te binden.
Kook de rijst en geef de champignons kleur
Kook de rijst volgens de aanwijzingen op de verpakking. Begin daarmee zodra alle ingrediënten klaarstaan, zodat de rijst en kip ongeveer tegelijk klaar zijn. Laat de gare rijst eventueel afgedekt rusten terwijl je de saus afmaakt en de smaken controleert.
Verhit één eetlepel olie in een ruime hapjespan. Bak de champignons op middelhoog tot hoog vuur ongeveer vier minuten, tot ze wat kleur hebben. Schep ze daarna op een bord en laat de aanbaksels in de pan zitten voor extra smaak.

Bak de kip en maak de ketjapsaus
Voeg de overige eetlepel olie toe en bak de kip rondom bruin in ongeveer vijf tot zes minuten. Schep geregeld om, maar laat de stukjes ook even liggen om te kleuren. De binnenkant gaart straks verder wanneer de saus erbij komt.
Voeg de ui en paprika toe en bak ze ongeveer vier minuten met de kip mee. Roer regelmatig en houd het vuur middelhoog. De ui mag zachter worden, terwijl de paprika een beetje beet houdt. Dat geeft het gerecht straks een prettige afwisseling.
Roer de knoflook, gember en het witte deel van de bosui erdoor. Bak alles nog ongeveer dertig seconden, tot het lekker begint te geuren. Laat de knoflook niet donker worden; een zachte knoflooksmaak past beter bij de zoete, volle saus.
Doe de champignons terug in de pan en schenk het ketjapmengsel erbij. Roer voorzichtig over de bodem om de aanbaksels los te maken. Breng de saus rustig aan de kook en laat het gerecht ongeveer vijf minuten zachtjes pruttelen, terwijl je af en toe omschept.
Controleer of de kip volledig gaar is. Met een vleesthermometer kun je in het dikste stukje meten: houd minimaal vijfenzeventig graden aan. Heeft de kip meer tijd nodig, laat haar dan rustig verder garen en voeg bij een droge pan wat water toe.
Roer het maizenapapje nog even door en voeg eerst de helft toe aan de zacht kokende saus. Schep om en laat een minuut binden. Voeg alleen meer toe wanneer je de saus nog wat dikker wilt; ze moet soepel om de ingrediënten blijven liggen.
Proef en maak de saus precies goed
Proef een beetje saus samen met een stukje kip. Vind je het gerecht te zoet, voeg dan enkele druppels rijstazijn toe. Mag het pittiger, roer er een klein beetje sambal door. Voeg niet meteen zout toe, want ketjap bevat zelf al zout.
De ideale saus glanst, omhult de kip en loopt nog gemakkelijk over de rijst. Is ze te dik geworden, roer er dan een klein scheutje water door. Is ze juist dun, laat haar kort zachtjes koken of gebruik iets meer van het maizenapapje.
Zet het vuur uit zodra de kip gaar is en de saus goed smaakt. Verdeel de rijst over twee kommen of borden en schep de kip met paprika, ui en champignons ernaast. Strooi de groene bosuiringetjes pas als laatste over het gerecht.
Lekkere suggesties voor erbij
Een frisse komkommersalade past hier heerlijk naast. Snijd komkommer in dunne plakjes en meng met wat rijstazijn en eventueel een klein beetje suiker. Laat kort intrekken en serveer apart, zodat de frisse smaak een tegenwicht geeft aan de warme ketjapsaus.
Wil je meer groenten op tafel zetten, serveer er dan kort gekookte sperziebonen of roergebakken paksoi bij. Houd de kruiding eenvoudig, want de kip heeft al veel smaak. Je kunt de hoeveelheid rijst naar trek aanpassen en ruim groenten erbij nemen.

Bewaren en opnieuw verwarmen
Heb je wat over, verdeel de kip en rijst dan over kleine, ondiepe bewaarbakjes. Laat snel afkoelen en zet ze binnen twee uur afgesloten in de koelkast op vier graden. Bewaar het liefst apart, zodat de rijst niet alle saus opneemt.
Gebruik de restjes binnen twee dagen of vries ze direct na het afkoelen in voor maximaal drie maanden. Noteer de datum op de bakjes. Laat een ingevroren portie in de koelkast ontdooien en voeg bij het verwarmen zo nodig wat water toe.
Verwarm alleen wat je gaat eten en schep tijdens het opwarmen goed om, tot alles door en door heet is. Warm een restje maar één keer opnieuw op. Voeg eventueel verse bosui toe bij het serveren voor wat nieuwe frisheid en beet.
Dit is zo’n recept dat je gemakkelijk nog eens maakt: vertrouwde ingrediënten, een korte bereiding en een saus waar de rijst heerlijk bij smaakt. De paprika geeft zoetheid, de champignons zorgen voor diepte en de bosui maakt iedere hap lekker fris.










