Huishoudens met zonnepanelen krijgen binnenkort een flinke realitycheck. Waar zonnestroom jarenlang werd gezien als een slimme investering die zichzelf snel terugverdiende, verandert het speelveld de komende jaren drastisch. Het financiële voordeel van stroom terugleveren aan het net smelt weg, en dat raakt honderdduizenden Nederlandse daken. Wat ooit voelde als “de meter terug laten lopen”, wordt straks een rekensom waar je nauwelijks nog warm van wordt.

Voor veel gezinnen was het idee simpel: overdag stroom opwekken, ’s avonds gebruiken, en het overschot netjes wegstrepen tegen je verbruik. Maar aan dat systeem komt een einde. Vanaf 2027 verdwijnt de huidige manier van salderen, en dat betekent dat teruggeleverde zonnestroom nog maar een schijntje oplevert. Voor een gemiddeld huishouden met zonnepanelen kan het voordeel teruglopen tot amper een paar euro per jaar. Dat is een wereld van verschil met wat mensen gewend zijn.
Einde van een gouden regeling
Op dit moment werkt het zo: wek je meer stroom op dan je verbruikt, dan lever je dat terug aan het net. Die teruggeleverde stroom wordt verrekend met de stroom die je op andere momenten afneemt. Een kilowattuur die je levert is dus net zo veel waard als een kilowattuur die je koopt. Dat principe heeft zonnepanelen jarenlang extra aantrekkelijk gemaakt.
Maar vanaf 2027 stopt dit systeem. Huishoudens mogen dan niet meer één op één wegstrepen. In plaats daarvan ontstaat er een andere situatie: je betaalt gewoon voor alle stroom die je van het net afneemt, en voor wat je teruglevert krijg je een aparte vergoeding. Het verschil tussen die twee bepaalt of je er nog iets aan overhoudt.
Terugleveren levert bijna niets meer op
En daar zit precies de pijn. Volgens recente berekeningen van een energievergelijkingssite houdt een gemiddeld huishouden dat jaarlijks zo’n 2500 kilowattuur teruglevert straks nauwelijks nog iets over. Omgerekend kan het voordeel neerkomen op ongeveer een halve euro per maand. Dat is minder dan wat veel mensen aan één kop koffie kwijt zijn.
Bij meerdere grote energieleveranciers komt de nettovergoeding uit op slechts een fractie van een cent per kilowattuur. Dat betekent dat de vergoeding die je krijgt bijna volledig wordt opgeslokt door kosten die leveranciers rekenen voor het terugleveren. In sommige gevallen kan de vergoeding zelfs negatief uitvallen. Dan betaal je dus per saldo om stroom aan het net te geven.
Hoe kan dat zo uitpakken?
Dat klinkt misschien onlogisch — je levert toch duurzame energie? Maar energieleveranciers wijzen op de kosten van het stroomnet. Zonnestroom wordt vooral midden op de dag opgewekt, wanneer de vraag relatief laag is. Het net moet die pieken aankunnen, en dat brengt kosten met zich mee. Bovendien daalt de marktprijs van stroom juist op momenten dat er veel zonne-energie beschikbaar is.
Daardoor is teruggeleverde stroom economisch minder waard dan stroom die je ’s avonds of ’s winters afneemt. Het gevolg: de vergoeding daalt, terwijl vaste kosten en terugleverkosten blijven bestaan of zelfs stijgen.

Eén uitzondering
Er is wel een leverancier waar de cijfers gunstiger uitpakken dan bij veel concurrenten. Daar blijft een kleine, maar merkbaar hogere nettovergoeding over per kilowattuur. Toch blijft ook daar het verschil met de oude situatie groot. Niemand krijgt nog de vergoeding die mensen gewend waren onder het salderen.
De boodschap is duidelijk: terugleveren is straks niet meer de plek waar je je winst haalt.
De echte winst verschuift
Energie-experts benadrukken daarom dat de focus moet verschuiven. De grootste besparing zit niet langer in wat je aan het net geeft, maar in wat je zélf direct gebruikt. Elke kilowattuur die je overdag zelf verbruikt, hoef je niet in te kopen tegen het normale tarief — en dat tarief ligt veel hoger dan de terugleververgoeding.
Dat betekent dat het slim wordt om apparaten juist te gebruiken als de zon schijnt. Denk aan de wasmachine, droger, vaatwasser of het opladen van een elektrische auto. Wie zijn verbruik aanpast aan de opwek, haalt nog steeds voordeel uit zonnepanelen.
Gedrag wordt belangrijker
Waar zonnepanelen eerst vooral een kwestie waren van “leggen en klaar”, vraagt de nieuwe situatie om ander gedrag. Slimme stekkers, timers en energiemanagementsystemen worden interessanter. Ook thuisbatterijen komen vaker in beeld, omdat je daarmee stroom kunt opslaan voor later gebruik.
Toch zijn batterijen nog duur, en voor veel huishoudens is het de vraag of de investering zich snel genoeg terugverdient. Maar als de terugleververgoeding zo laag blijft, wordt zelf opslaan financieel steeds logischer.
Wat betekent dit voor bestaande bezitters?
Voor mensen die al zonnepanelen hebben, betekent dit niet dat hun installatie ineens waardeloos is. Ze blijven stroom opwekken en besparen nog steeds op hun energierekening. Alleen het deel dat je niet zelf gebruikt, levert veel minder op dan voorheen.
De terugverdientijd van zonnepanelen wordt daardoor langer dan waar sommige mensen op hadden gerekend. Dat kan voelen als een tegenvaller, zeker voor huishoudens die hun investering mede baseerden op de oude regeling.

En voor nieuwe kopers?
Voor wie nog zonnepanelen overweegt, verandert de rekensom ook. Het blijft een manier om je energiekosten te verlagen, maar het financiële plaatje is minder rooskleurig dan een paar jaar geleden. Installaties moeten slimmer worden ontworpen, met aandacht voor eigen verbruik en niet alleen voor maximale opbrengst.
De energietransitie schuift
Deze verandering laat zien dat de energietransitie in een nieuwe fase komt. Waar eerst vooral werd gestimuleerd om zo veel mogelijk op te wekken, verschuift de nadruk nu naar slim gebruiken, opslaan en balanceren. Het stroomnet moet stabiel blijven, en dat vraagt aanpassingen van zowel overheid, leveranciers als consumenten.
Voor zonnepaneelbezitters is de boodschap duidelijk: het tijdperk van makkelijk verdienen aan terugleveren loopt ten einde. Maar wie meebeweegt, zijn verbruik aanpast en slim omgaat met zijn eigen zonnestroom, kan nog steeds profiteren. Alleen niet meer op de manier die jarenlang vanzelfsprekend leek.










