Na jaren van discussie over verkeersveiligheid en snelheid op Nederlandse wegen, komt er nu een radicaal voorstel van een onderzoeker verbonden aan de Universiteit van Amsterdam én het Urban Cycling Institute. Volgens hem zouden alle auto’s in Nederland beperkt moeten worden tot een topsnelheid van 120 kilometer per uur.

Dit zou niet alleen voor nieuwe voertuigen moeten gelden, maar ook door retrofitting in bestaande auto’s moeten worden toegepast. Het voorstel zorgt voor felle reacties: sommige experts zien het als een logische stap om ongelukken te voorkomen, terwijl anderen spreken van een forse inbreuk op persoonlijke vrijheid en autoplezier.
Het idee is ingegeven door praktische en emotionele argumenten. Op veel wegen in Nederland wordt structureel harder gereden dan toegestaan, wat leidt tot verkeersongevallen, letsel en hoge boetes.
Tegelijkertijd verandert de snelheid van voertuigen de manier waarop mensen wegen ervaren. Harder rijdend verkeer beïnvloedt niet alleen veiligheid, maar ook de sociale acceptatie van andere weggebruikers en het gebruik van openbare ruimte.
Door auto’s te limiteren, zou volgens de onderzoeker het verkeer veiliger, overzichtelijker en maatschappelijk aangenamer worden.
Wat houdt het voorstel precies in?
De kern van het voorstel is simpel, maar ingrijpend: auto’s die harder dan 120 km/u kunnen, zouden niet langer verkocht mogen worden. Voor bestaande auto’s zou een snelheidsbegrenzer moeten worden ingebouwd, iets wat technisch mogelijk is en relatief goedkoop zou zijn.
Het gekozen maximum van 120 km/u is een compromis: het biedt voldoende snelheid voor interstedelijke ritten, maar beperkt de excessieve snelheden die vooral in stedelijke gebieden en woonwijken een groot risico vormen.
Technisch zijn er meerdere manieren om zo’n begrenzer te implementeren. Een optie is een hardwarebegrenzer die direct gekoppeld is aan het motormanagement. Een andere mogelijkheid is een GPS-gebaseerde geofencing-oplossing, waarbij de maximumsnelheid automatisch wordt aangepast aan de locatie.
Zo kan een auto bijvoorbeeld in woonwijken of rond scholen automatisch beperkt worden tot 30 km/u, terwijl op snelwegen de limiet 120 km/u blijft. Beide systemen bestaan al en worden deels toegepast bij deelauto’s en e-scooters.
Kosten, retrofitting en wie betaalt
Een belangrijke vraag is wie de rekening betaalt voor het inbouwen van snelheidsbegrenzers in bestaande auto’s. Volgens de UvA-onderzoeker zijn de kosten relatief beperkt en zouden de maatschappelijke baten — minder verkeersslachtoffers, minder ziekenhuisopnames en lagere maatschappelijke schade — de investering snel terugverdienen.
Critici wijzen echter op juridische en praktische obstakels. Oude klassiekers, importauto’s en voertuigen in particuliere handen zijn moeilijk te reguleren. Daarnaast stuiten verplichtingen vaak op weerstand bij bestuurders die zich beperkt voelen in hun vrijheid of rijplezier.
Om de lasten eerlijk te verdelen, worden voorstellen gedaan zoals gespreide subsidies of gerichte retrofitting voor kwetsbare wijken. Op die manier hoeven de kosten niet onevenredig bij bepaalde groepen terecht te komen.

Het politieke debat: veiligheid versus vrijheid
Het voorstel raakt een gevoelig punt in de samenleving. Voorstanders benadrukken dat snelheid en massa de impact van een ongeluk bepalen en dat technologie ingezet kan worden om letsel en schade te beperken. Tegenstanders zien een glijdende schaal naar meer toezicht en minder keuzevrijheid.
D66 heeft inmiddels aangegeven serieus te kijken naar het voorstel en overweegt een motie in te dienen waarmee de Tweede en Eerste Kamer worden gevraagd om het debat te voeren over snelheidsbegrenzer-implementatie.
Volgens partijwoordvoerders is het belangrijk dat het parlement zich uitspreekt over de balans tussen veiligheid en individuele vrijheid, en dat er duidelijke spelregels komen voordat zo’n ingreep verplicht wordt.
Hulpdiensten en uitzonderingen
Een veelgehoord bezwaar is dat hulpdiensten snel moeten kunnen rijden bij noodsituaties. De onderzoeker stelt dat uitzonderingen technisch geregeld kunnen worden. Bovendien zou een algemene verlaging van snelheid ook de druk op hulpdiensten verminderen, omdat er minder ongelukken ontstaan.
Daarnaast kan de invoering van snelheidsbegrenzers het rijgedrag positief beïnvloeden. Wanneer bestuurders weten dat een voertuig niet boven 120 km/u kan, wordt de sociale norm voor snelheid aangepast en ontstaat een veiliger rijgedrag.
Eventuele compenserende gedragingen, zoals risicovol inhalen of meer afleiding zoeken, kunnen beperkt worden door handhaving, infrastructuurontwerp en feedbacksystemen in de auto.
Realistische tussenstappen
Een volledig verbod op auto’s die sneller kunnen dan 120 km/u is ingrijpend en politiek gevoelig. Daarom worden ook kleine, haalbare stappen voorgesteld:
Verplichte snelheidswaarschuwingssystemen in nieuwe auto’s.
Subsidie voor retrofitting in kwetsbare gebieden.
Meer flitspalen en controles rondom scholen en woonwijken.
Stimuleren van adaptieve cruisecontrol en geavanceerde rijhulpsystemen (ADAS) die automatisch snelheid en afstand reguleren.
Kleine pilots in diverse gebieden kunnen aantonen wat werkt, waardoor beleid kan worden aangepast aan lokale omstandigheden. Zo blijft het systeem flexibel en afgestemd op de realiteit van Nederlandse wegen. Het enigste nadeel dat de Belastingdienst veel minder verdiend aan alle snelheid verkeersboetes.

Een maatschappelijke keuze
Het debat over snelheidsbegrenzer raakt aan fundamentele vragen: hoeveel vrijheid mag een individu hebben in ruil voor veiligheid van iedereen? Technologie biedt nu mogelijkheden die tien jaar geleden nog ondenkbaar waren.
Implementatie vraagt echter duidelijke normen, transparantie en draagvlak, zodat de samenleving niet onnodig polariseert.
D66 wil dit debat naar de politieke arena brengen, met een motie in Eerste en Tweede Kamer. Zo wordt niet alleen gekeken naar technische haalbaarheid, maar ook naar ethiek, juridische implicaties en maatschappelijke impact.
De komende maanden zullen cruciaal zijn: de keuze tussen snelheid, veiligheid en technologie zal de discussie over mobiliteit in Nederland voor de komende jaren bepalen.










